Dit verhaal is voorgelezen op de internationale dag van de mensenrechten. Op 30 maart is het nieuwe verdrag van de VN getekend door vele landen w.o. Nederland. Het nieuwe verdrag staat voor gelijke rechten voor mensen met een handicap.
Lang geleden in een land hier ver vandaan maar misschien ook wel gisteren in een stad heel dichtbij, liep er een man over een lange brede weg. Hij had als soldaat gediend in het leger van de koning, of misschien was het de sultan. De oorlog was voorbij, de vrede getekend en iedereen zou weer aan het dagelijkse leven kunnen beginnen.
De soldaat was op weg naar huis. Een lange reis voerde hem langs plekken waar hij nog nooit geweest was. Onherbergzame streken, grote zandvlaktes, rotsblokken en hier en daar een plukje huizen links en rechts van de grote weg. Tot zijn verbazing zag de man dat zich tussen de verschillende nederzettingen geen wegen bevonden. Er liepen paden vanaf de nederzettingen naar de grote weg.
De mensen die hij tegenkwam, maakten een trieste indruk. Wanneer hij vriendelijk groette, werd zijn groet nooit beantwoord. Hij merkte dat de mensen, die hem altijd in groepen passeerden, ook elkaar niet groetten. Hoe meer hij naar de voorbijgangers keek, hoe vreemder het hem allemaal toescheen. Op het
eerste gezicht hadden het allemaal gewone mensen geleken. Maar na een poosje zag hij dat de groepen onderling weliswaar verschilden maar dat de mensen binnen één groep verdacht veel op elkaar leken. Ze droegen allemaal dezelfde kleren en hadden allemaal dezelfde haardracht. De huizen hadden per groep eenzelfde vorm en kleur. Op de landerijen naast de huizen groeide steeds één soort groente. Hij zag bij de huizen met groene daken mensen met groen haar en groene kleding. De manden die ze droegen waren gevuld met boerenkool. Naar welke groep hij ook keek; alle mensen zagen moe en mager uit. Hun huizen waren, geen groep uitgezonderd, vervallen. Het land, hoewel er gewassen groeiden, lag er op een of andere manier overal kaal en mistroostig bij.
Het werd drukker langs de weg en de soldaat vermoede dat hij spoedig in een stad zou belanden. Eenmaal aangekomen bleek ook daar iets vreemds gaande. De stad bestond uit wel vier, vijf, zes verschillende stadjes. Groepjes huizen op kleur bij elkaar. Lege winkeltjes en werkplaatsen. Dat wat ooit een stadsplein geweest moest zijn, lag er nu verlaten en stoffig bij.
De soldaat had een lange reis achter de rug en moest nog ver gaan. Hij zocht zich een plaats om uit te rusten en hoopte wat te eten te vinden. Zijn oude soldatentas was leeg, hij had honger. Hij durfde niet zo goed om eten te vragen want hij had al lang gezien dat de mensen het hier zelf ook niet breed hadden.
Bovendien, wanneer hij op iemand af liep, liep die persoon snel en schichtig door. De soldaat ging midden op het plein zitten. Hij keek om zich heen en voelde de warmte van de zon die stralend aan de hemel stond. Terwijl hij zat te peinzen, zag hij vanuit zijn ooghoeken een paar kinderen schoorvoetend het plein opkomen. Heel voorzichtig kwamen ze dichterbij. In de ogen van de kinderen zag hij wat hij in de ogen van de grote mensen gemist had: ze leken wel nieuwsgierig. Zonder één woord te zeggen stopten de kinderen een paar meter voor hem en gingen op de grond zitten. Ze spraken niet met hem en zeker niet met elkaar. Het waren groene, rode, gele, witte en oranje kinderen.
De soldaat verbrak de stilte en sprak één van de kinderen aan. Ze had oranje haar. Hij ze: “ik heb honger, hebben jullie misschien iets te eten voor mij?”
“Wij eten wortelen want die zijn van ons.”antwoordde het meisje. “We geven nooit iets aan andere mensen.” De andere kinderen antwoordden op precies dezelfde manier. Ze aten prei, of tomaat of ui. Meer niet. Geen van de kinderen kon de soldaat iets te eten aanbieden.
Op een afstand stonden volwassenen te kijken naar het oploopje dat op het oude stadsplein was ontstaan. Ze keken argwanend naar de soldaat. De soldaat man keek van de mensen naar zichzelf en begreep hun argwaan. Met zijn, groene broek, rode jas, witte sjaal en oranje pet viel hij behoorlijk uit de toom.
De soldaat begreep dat de kans op een volle maag gering zou zijn wanneer hij niets ondernam.
Hij verzamelde moed, ging op een bankje staan en sprak: “beste mensen, ik kom van ver en ik heb honger. Ik zie dat jullie dat ook hebben. In mijn soldatentas heb ik een bijzondere steen. Ik heb hem onderweg gekregen van een oude wijze man die mij vertelde dat daar waar de zon schijnt er altijd een plek te vinden is waar geluk kan komen. “Gebruik de steen op een plek waar geluk ver te zoeken lijkt"; heeft de oude man mij gezegd. Ik heb nagedacht en geloof dat ik op dit zonnige plein met deze steen een pan soep kan maken voor iedereen! De soldaat hield de steen omhoog, zag dat de mensen hem niet vertrouwden maar hij sprak rustig door. “Heeft iemand een pan voor me?” Eén van de kinderen maakte zich los uit de groep, rende langs zijn vader en moeder naar huis en wam terug met een grote pan. Een ander kind haalde water uit het beekje dat langs de stad met stadjes slingerde. En een derde kind sprokkelde hout. En een vierde kind maakte daarmee een vuurtje. Het was ondertussen druk geworden op het plein. De mensen stonden onwennig in hun groepjes bij elkaar.
De soldaat deed de steen in de pan met water die langzaam begon te dampen en koken. Met een lepel proefde hij uit de pan. “Nou dat smaakt wel” zei hij vrolijk. “Er zou eigenlijk alleen nog een beetje zout bij moeten en dan is hij wel goed”. Eén van de kinderen keek zijn moeder aan rende zonder iets te zeggen naar huis en kwam terug met een kommetje zout.
De soldaat deed het zout in de pan, en proefde na even geroerd te hebben opnieuw. “Ach, wat bijzonder zeg, hij smaakt zo echt beter!”
“Er zou nog iets zoetigs bij kunnen”. Een kind met oranje haar rende naar huis en kwam terug met een hand worteltjes. Nu nam de soldaat een lepel van het vocht en liet dat aan iemand proeven met groen haar. “Ja, dat is al heel lekker maar er zou nog iets van…..”
“Prei!” riep het zoontje van de fijnproever, “prei van ons”. Meteen rende hij naar huis en kwam terug met een bosje groene prei. Nu waren alle mensen dicht bij de pan gekomen en iedereen proefde. En steeds klonk: “Ja, lekker, maar….” De pan werd voller en voller en op het pleintje steeg de heerlijke damp van een geurige soep op.
“Zo, de soep is klaar!” riep de soldaat, “Nu moeten we hem nog eten!” Mannen, vrouwen en kinderen renden weg en kwamen terug met groene lepels, gele en bruine soepkommen. Er kwam zelfs iemand terug met een tafel. Een rode tafel, blauwe stoelen, groene krukjes. Het werd steeds meer en alles werd in een prachtige kring midden op het plein neergezet. De soldaat schonk kommen vol. Hij deed de veelkleurige soep in een groene kom, zette er een bruine lepel in en bracht die naar een oranje tafel. De mensen waren ondertussen veel vrolijker geworden. Ze liepen door elkaar en gingen ontspannen naast elkaar zitten. Iedereen begon te eten en overal kon je horen: “Oh, wat is dat lekker”, “Ach wat smaakt dat goed, en dat allemaal door zo’n gelukssteen.
Iedereen smulde van de overheerlijke soep, ze hadden in geen tijden zo lekker gegeten. Ze aten met elkaar de hele pan leeg. Alleen de steen bleef over. De soldaat stond op en wilde vertrekken. “Uw steen ligt nog in de pan” riep een kind. “Die mogen jullie houden, daar kun je nog wel 1000 maal soep van koken, als je het maar zoals wij het nu hebben gedaan”, zei de soldaat. “Dat is een echte gelukssteen”zei een jongen met rood haar tegen een meisje met blauwe ogen. Toen hij dat hoorde lachte de soldaat. Fluitend liep hij het plein af en eenmaal buiten de stad gekomen, zocht hij een mooie ronde steen en stopte hem in zijn soldatentas.
Dit verhaal is een contributie van Stichting Ieder Alles.
www.iederalles.nl
email info@iederalles.nl
kvk nr. 32102702
Rek. Nr. 4736227
Deze stichting zoekt donateurs.
|